Brno

De Synagoge van Brno (Tsjechië) werd op 16 maart 1939 door Nazi’s in brand gestoken.

In de maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog schrijven Alfred Jodl en mijn oudtante Luise elkaar bijna om de week een brief. Ze hebben het over haar plannen om een kinderopvang te beginnen in Berlijn, over de gezondheid van Jodls vrouw Irma en over hun liefde voor elkaar. De brieven gaan over het alledaagse en over de grote gebeurtenissen op het wereldtoneel: de Anschluss van Oostenrijk, de annexatie van het Sudetenland, de intocht in Tsjechië.

Voor elkaar en voor anderen die belangrijk voor ze zijn gebruiken Alfred en Luise koosnaampjes. Jodls geliefde paard heet “Graaf Bockie”. Zijn vrouw Irma – een Gravin van Boullion- wordt “Mylady” genoemd. Luise is “Rabbit”, vanwege haar liefde voor Winny the Pooh. Alfred is “Möpschen”, het schoothondje. Soms ondertekent hij zijn liefdesbrief met een schetsje van een klein hondje met krulstaart.

Lezend in de brieven valt me op dat Jodls vrouw Irma, vijf jaar ouder dan hij en chronisch ziek, inderdaad op de hoogte lijkt te zijn van de affaire tussen Luise en haar man. Dit is ook wat Luise zelf altijd heeft gezegd: zij en Alfred hadden de zegen van zijn vrouw en samen verkeerden zij in een intieme driehoeksliefde. Wat ik lees bevestigt dat beeld. Voordat Alfred en Irma Jodl naar Wenen vertrekken stuurt Luise hen allebei een “Fragebogen für das Lieschen” mee: een vragenlijstje waarin zij zinnen moeten invullen en grappig bedoelde meerkeuzevragen  beantwoorden. Voor Alfred is er de vraag: “Sinds ik in Wenen aankwam heb ik behalve Mylady … vrouwen gekust”, die hij netjes met nul invult. Een volgende opdracht is: “Ik slaap … en droom af en toe van …” Alfred slaapt goed. Waar hij moet zeggen over wie hij droomt tekent hij een konijntje: Rabbit. Voor Irma heeft Luise een tweede invulbrief. Zij moet aangeven hoe ze haar dag indeelt, of ze een beetje een fatsoenlijke werkster heeft en wat de stemming van haar Möpschen is. Zijn gemoedsrust is “wisselend”, maar hij ziet er “klassisch” uit. Met een “Ik mis je en ik hou van je”, eindigt de invulbrief van de echtgenote aan de geliefde van haar man.

Halverwege maart 1939 trok Jodl met zijn troepen het nog niet bezette deel van Tsjechië binnen. Hij vestigde zich in Brno – Brünn in het Duits. Vlak voor zijn vertrek luisterde hij naar een toespraak van Hitler, die diepe indruk op hem maakte. De Duitse soldaat moet goed tot zich laten doordringen, zo geeft hij Hitlers boodschap door aan Luise, dat de politieke opgave waarvoor de Duitsers nu staan, onmiddellijk ingelost moet worden. “Wij” – de generaals-  kunnen niet langer slechts de militaire leiders zijn van onze soldaten. We moeten vooral ook de dragers zijn van het gedachtegoed van het Derde Rijk. En wel tot in zijn uiterste consequenties.

Dat Jodl behoorlijk bevangen raakte door dit gedachtegoed – meer dan Luise na de oorlog bereid was om toe te geven- schemert door in zijn brieven uit Brno. Het is een stad met veel grote leegstaande villa’s, zo schrijft hij Luise vanuit het Grand Hotel.  “Brünn had natuurlijk een rijke bevolking (Joden), van wie de meeste er vandoor zijn gegaan” legt hij uit. Veel heeft hij er niet te doen: hij rijdt op zijn paard Graaf Bockie door de bossen. Hij jaagt, hij zwemt in meertjes en plaagt Luise met een mijmering over de mooie vriendin van een SS-Führer, die ook in het Grand Hotel verblijft en zijn rust verstoort. “Ze doet me aan jou denken: groot, blond en heel erg knap. Ze eet meestal in haar eentje zonder iemand een blik waardig te gunnen. Daarom doet ze me ook zo aan jou denken. Ze wiegt prachtig met haar heupen, is zelfverzekerd maar toch lieftallig. Een toonbeeld van het beste Duitse ras.”

Als Alfred deze brief schrijft, op 16 juli 1939, woedt er al weken een storm van geweld door Brno. Onder goedkeurend oog van de Wehrmacht maken Tsjechische fascisten de straten onveilig voor de twaalf duizend Joodse bewoners die de stad telt, althans voor degenen die nog niet zijn gevlucht. Het is de vooraankondiging van de Sjoa, die slechts zeven honderd Joden uit Brno zullen overleven. De fascisten lokken knokpartijen uit, slaan op straat willekeurig Joden in elkaar en steken hun winkels en synagogen in brand.

Pas aan het einde van zijn brief staat Jodl hier even bij stil. De terloopse toon tekent de vanzelfsprekendheid waarmee hij het geweld goedkeurt.

“Af en toe ga ik naar de bioscoop. Twee dagen geleden zag ik nog deel twee van de Olympia film met zijn prachtige opnamen van paarden in Döberitz. Ook de anti-joodse demonstraties van de Tsjechische fascisten in de stad zorgen voor vermaak. Natuurlijk moeten we ons afzijdig houden en kunnen we slechts van een afstand toezien hoe de brandweer met water aan het werk gaat. Nu wens ik je veel plezier en succes met je kinderopvang. Hopelijk gooien die kinderen niet al je brieven door elkaar.”

Luise moest begrijpen dat de brandweer die uittrok om de Joodse panden te blussen nu eenmaal niet kon worden tegengehouden. De morele steun voor de fascistische pogroms mocht op dat moment nog niet verder gaan dan van een afstandje goedkeurend toekijken. Jammer, lijkt Alfred hier te zeggen. En daarmee eindigt de korte passage over de antisemitische terreur in Brno: als een lichtpuntje van vermaak in een verder nogal saai verblijf in het Grand Hotel, met als enige afleiding een knap maar zwijgzaam liefje van een hoge SS-er.